Hoofdpersonen

Het malle ding van bobbistiek

Bobbie en Albert

Als je in huis hoort timmeren of ratelen of dreunen, hoef je je nooit af te vragen wat er gebeurt. Albert is dan bezig iets te maken: een schip of een radio of alleen maar een telefoonleiding naar Bobbies kamer. Maar in ieder geval: het maakt herrie.

Als je niets hoort, als het zo stil is dat je denkt dat er niemand thuis is, dan zit Bobbie boven te lezen. Je merkt niet dat hij er is en soms vergeet hij het zelf ook.


De Heksensteenserie

Oene is de hoofdpersoon in de Heksensteen, Het oerlanderboek, Het woekerkoraal, Het tijgeroog en Het neveneffect.

Oene wil best leren van mensen die ouder zijn dan hijzelf. Misschien zijn ze ook wel wijzer. Toch beslist hij zelf wat goed voor hem is.

Geen persoon, maar even belangrijk is de Steen. Hoe hij werkt, kun je lezen in De steen van de Pentapoden.

De heksensteen is te vergelijken met een accu. Er is niets bovennatuurlijks aan, we weten er alleen nog geen raad mee.Toen de electriciteit nog onbekend was, gingen immers ook al de haren van de kat overeind staan en knetterde de donder door de lucht. Maar niemand wist wat het was, laat staan dat we er wat mee konden doen. Zo is het nu nog met de kracht die in de heksensteen zit, maar als het fijne ervan ooit eens algemeen bekend zal zijn, wordt alle toverij zo simpel als het omdraaien van het knopje van het licht.


Janna zegt in Het oerlanderboek.
Boeken?” zegt Janna. “Ik zal je eens precies vertellen wat daarmee aan de hand is. Ik weet het, want ik heb er al eens eentje helemaal uitgelezen. Als je leest, raak je los van de aarde en je wordt net zo dor als papier. Dat merk je natuurlijk niet in de stad waar een stenen korst het land verstikt, maar wel op de vrije grond die groeit en ademt. Daar weet je of de regen komt en je ruikt welk seizoen het is. Ja, en dan lees je een boek. Daar staat van alles in opgeschreven en in het beste geval is het goed, maar het gevoel dat erin zit komt van een ander mens uit een andere tijd en een andere plaats. Je krijgt warrige gedachten want de woorden zijn in lettertjes gebroken en de kracht is eruit. Dat doen boeken: kracht weghalen. Is dat niet erg?”


Hoofdpersoon in Het tijgeroog is een huis: De Stevelaar.

Overal hoor je geluiden de hele dag: kriek,kriek, de treden van de zoldertrap, toing, toing, de losse dakgoot, bosse, bosse, de houten vloer. Nu is het huis gewond geraakt. Moeten we het in de steek laten? Dat kun je niemand aandoen. Niet een mens, niet een paard of een boom of een kat en zelfs niet een stoel of een paar schoenen, laat staan een huis.


Tante Mien zegt:
“Als je bijna honderd bent, dan heb je zoveel geleerd dat je erg veel kunt vergeten, maar nu weet ik alles weer. Ik weet weer hoe ik heet. Ik ben mevrouw Gans. En dat betekent niet een snaterende vogel. Gans is een oud woord voor heel. En dat ben ik: oud, bijna honderd, maar alles is nog heel. En ik woon in het Wilde Klimbos, dat weet ik ook. Zo en waar zullen we nu eens heengaan? Willen jullie naar de Mangelmolen of liever naar het Vlugveld?”


Huib zegt: “Ik wil naar huis.”

“Waarom? Daar weet je toch zeker alles van. Je bent nog geen tien. Er zijn zoveel plaatsen waar je nog nooit bent geweest. Het is echt jammer om naar een plaats te gaan die je al kent. Ik doe dat nooit. Ik ga altijd verder.”


Annebel zegt in DAN LIEVER DE LUCHT IN


“Als het goed gaat, mogen jullie een rondje vliegen, maar als jij rottige dingen zegt tegen mijn vriend, dan kieper ik je van honderd meter hoog ons vliegtuig uit.”

Annebel, Sake en Anwar hebben een vliegtuig gemaakt van een bed. Ze zijn vanaf het dak van het ziekenhuis weggevlogen met onbekende bestemming

Marco in De draak onder de kerk:

“Ik schrijf een boek en ik begin vandaag.”

De stad waar Marco woont bestaat zevenhonderdvijftig jaar.

De SintJoriskerk is net zo oud als de stad. Haast niemand weet dat er een onderwereld is. Daar ligt het gebeente van Catharina en de schatten van de abt zijn er verborgen. En daar is ook de vergaderzaal van de Zevende Inwijding. Als je daar zomaar binnenkomt en wordt ontdekt, verdien je de doodstraf. Die wet is ook al zevenhonderdvijftig jaar oud. Maar hij bestaat nog steeds.


Jan en Quirijn in De temponauten



In de duinen vinden ze een vierkant zwart vlak. Ze vragen zich af waarvoor het dient. In elk geval is het prima als glijbaan. Ze trekken hun schoenen uit en nemen een aanloop. Het gaat heerlijk. Dan begint de vloer te trillen. Jan wordt een blauwe vlek en Quirijn is blauw met donkerrood.

Op onverklaarbare manier belanden ze in Ierland op hun slokken. Het is niet eenvoudig om weer thuis te komen. En de uitvinders van de tijdmachine krijgen het flink benauwd, als ze merken dat hun experiment met mensen is mislukt.


Het stampen van de slang

Oma zegt: “Volgens mij is het heidens. Dat kan nooit goed zijn.”

Maria zegt:” Je moet niet zo gemeen tegen me doen. Ik ben geen hond die je aan de ketting kunt leggen in een hok.”

Sander zegt: “Ze huilt een hele theedoek vol. Dat kind heeft geen gemakkelijk leven.”

Klaas zegt: “Grenzen zijn verzinsels van domme mensen. Onze Moeder Aarde trekt zich daar niets van aan en wij ook niet.”

Mama zegt: “De Aarde, onze Moeder, is een levend wezen en wij, de mensen die van haar afhankelijk zijn, gedragen ons als ongedierte op Haar huid. Steden zijn branderige korsten op Haar lichaam. Autowegen zijn jeukende striemen.”

Onno zegt: “Je wilt toch niet je hele leven in een ouwe zak blijven lopen?”

Brigitte zegt: “Wij moeten tot inkeer komen. We gaan een zware tijd tegemoet. Moeder Aarde zal offers vragen.

De agent zegt: “En nu de lijken- mannen, vrouwen, kinderen- Hoeveel van elk?”


Meneer Konijn in De trollenval

weet precies hoe een trol eruit ziet:

Hij heeft een eng dik glibberig lijf vol stugge zwarte stekelhaartjes en een stomme groene kop met bolle gele ogen en gekke grote flaporen en een vieze platte neus. Alle trollen hebben dat. En weet je wat ze ook hebben? Een heel klein zwiepstaartje aan de achterkant.